MFR - Semester 2.2
Reflectie MFR – Management Information Systems
Inleiding MFR
Voor het vak MFR heb ik gewerkt aan drie onderdelen: Management Information Systems, Finance en Research. Binnen dit vak stond de Hanzehogeschool centraal als casus. Wij werkten als groep aan verschillende opdrachten die uiteindelijk samenkwamen in één eindrapport. Elk onderdeel had een eigen invalshoek, maar samen lieten ze zien hoe je als facility manager keuzes kunt onderbouwen met informatie, cijfers en onderzoek.
Bij Finance heb ik geleerd om financiële keuzes beter te onderbouwen. Hierbij ging het onder andere om investeringen, kosten, opbrengsten en de financiële haalbaarheid van verschillende scenario’s. Dit liet mij zien dat facilitaire keuzes niet alleen praktisch of wenselijk moeten zijn, maar ook financieel verantwoord.
Bij Research heb ik geleerd hoe je onderzoek opzet en uitvoert. We hebben gewerkt met een onderzoeksvraag, theorieën, variabelen, enquêtevragen en resultaten. Hierdoor werd duidelijk hoe je op een gestructureerde manier informatie kunt verzamelen en gebruiken om conclusies te trekken.
Bij Management Information Systems lag de focus op het gebruiken van data en informatiesystemen binnen facility management. Hierbij hebben we gewerkt met dashboards, sensoren, BIM en FMIS. Ik heb geleerd dat informatie een belangrijke basis is om facilitaire processen te verbeteren en beter te kunnen sturen.
In het begin vond ik MFR best ingewikkeld, omdat er veel verschillende onderdelen en opdrachten waren. Toch werd het gedurende het vak duidelijker dat de onderdelen met elkaar samenhangen. Als toekomstig facility manager moet je namelijk niet alleen praktisch kunnen handelen, maar ook kunnen onderbouwen waarom je bepaalde keuzes maakt. Daarvoor heb je betrouwbare informatie, financiële inzichten en onderzoek nodig.
Atelier 1 – Toegangscontrole en parkeerbeheer
In het eerste atelier van Management Information Systems hebben wij gewerkt aan een dashboard voor het parkeerbeheer van de Hanze. De Hanze had te maken met parkeerproblematiek, zoals drukte op parkeerplaatsen, opstoppingen bij slagbomen en gebruikers die niet altijd makkelijk een plek konden vinden.
Wij hebben binnen dit atelier gekeken naar de thema’s gastvrijheid en bestuurbaarheid. Bij gastvrijheid ging het vooral om de ervaring van de gebruiker. Wanneer studenten, medewerkers of bezoekers lang moeten zoeken naar een parkeerplek, kan dit zorgen voor frustratie en een minder positieve beleving. Bij bestuurbaarheid ging het om het inzicht dat het facilitair bedrijf nodig heeft om betere keuzes te maken over parkeerbeheer.
Voor het dashboard hebben wij gewerkt met KPI’s, zoals de gemiddelde bezetting per tijdstip, het verschil tussen onderwijsdagen en niet-onderwijsdagen en het betaalgedrag van gebruikers. Hierdoor werd zichtbaar op welke momenten de parkeerdruk het hoogst was en hoe de parkeerplaatsen werden gebruikt.
Ik vond dit atelier leerzaam, omdat ik hierdoor beter begreep hoe data kan helpen bij een praktisch facilitair probleem. Parkeren lijkt in eerste instantie een simpel onderwerp, maar door het gebruik van data zie je dat er veel factoren meespelen. Ik heb geleerd dat een dashboard niet alleen cijfers laat zien, maar vooral bedoeld is om beter te kunnen sturen.
Atelier 2 – Sensoren en binnenklimaat
In het tweede atelier hebben wij gewerkt met sensorgegevens in relatie tot het binnenklimaat. Hierbij hebben wij gekeken naar hoe sensoren kunnen bijdragen aan een gezonde, comfortabele en goed bruikbare werkomgeving.
Wij hebben onder andere gekeken naar CO2, temperatuur, luchtvochtigheid, geluid, licht en beweging. Deze gegevens geven inzicht in hoe prettig en gezond een ruimte is voor gebruikers. Een te hoge CO2-waarde kan bijvoorbeeld betekenen dat er onvoldoende ventilatie is. Te veel geluid kan invloed hebben op concentratie en een verkeerde temperatuur kan zorgen voor minder comfort.
Voor dit atelier hebben wij een dashboard gemaakt waarmee het facilitair bedrijf inzicht kan krijgen in de prestaties van ruimtes. Door sensorgegevens visueel te maken, wordt duidelijk waar verbeteringen nodig zijn. Hierdoor kan facilitair management gerichter maatregelen nemen.
Ik vond dit atelier interessant, omdat ik hierdoor beter begreep dat een gebouw continu informatie kan verzamelen. Eerst dacht ik bij sensoren vooral aan techniek, maar nu zie ik dat sensoren juist veel kunnen zeggen over de ervaring, gezondheid en het comfort van gebruikers. Dit atelier heeft mij laten zien dat data belangrijk is om een gebouw beter af te stemmen op de behoeften van mensen.
Atelier 3 – BIM
In het derde atelier hebben wij gewerkt met BIM. BIM staat voor Building Information Modeling. Ik heb geleerd dat BIM niet alleen een 3D-model van een gebouw is, maar ook informatie bevat over ruimtes, materialen, installaties en objecten.
Binnen dit atelier moesten wij kijken naar het BIM-model van de Hanze en dit vergelijken met een ander model. Daarbij hebben wij onderzocht welke informatie ontbrak en welke gegevens toegevoegd zouden moeten worden om het model beter bruikbaar te maken voor facility management.
Ik heb geleerd dat BIM handig kan zijn voor verschillende facilitaire processen. Bij onderhoud kan BIM bijvoorbeeld helpen doordat informatie over installaties, materialen en onderdelen gekoppeld is aan het model. Ook kan BIM helpen bij ruimtebeheer, omdat je beter inzicht krijgt in hoe ruimtes zijn opgebouwd en gebruikt kunnen worden.
Ik vond dit atelier het lastigst, omdat BIM voor mij nog vrij technisch was. Toch heb ik geleerd dat BIM veel waarde kan hebben als de informatie compleet en actueel is. Wanneer gegevens ontbreken of niet goed worden bijgehouden, wordt het moeilijk om het model goed te gebruiken. Daarom is het belangrijk dat een organisatie duidelijke afspraken maakt over welke informatie in BIM wordt vastgelegd en wie verantwoordelijk is voor het beheer daarvan.
Atelier 4 – FMIS
In het vierde atelier hebben wij gewerkt met FMIS. Een FMIS is een Facilitair Management Informatie Systeem. Dit systeem wordt gebruikt om informatie over facilitaire processen te verzamelen, te bewaren, te analyseren en te rapporteren.
Bij dit atelier hebben wij gekeken naar functies zoals servicedesk, ruimtebeheer, assetbeheer en energiebeheer. Ook hebben wij onderzocht welke gegevens belangrijk zijn om later goede rapportages te kunnen maken over gezondheid en duurzaamheid.
Ik heb geleerd dat een FMIS veel meer is dan alleen een meldingssysteem. Het kan helpen bij het registreren van klachten, onderhoud, ruimtes, installaties, contracten en reserveringen. Als de juiste informatie wordt bijgehouden, kan een organisatie beter sturen op kwaliteit, duurzaamheid en gebruikerservaring.
Ook hebben wij gekeken naar de koppeling tussen BIM en FMIS. Dit vond ik interessant, omdat BIM vooral informatie geeft over het gebouw en FMIS vooral helpt bij het beheren van facilitaire processen. Door deze systemen te koppelen, kan gebouwinformatie beter gebruikt worden in de praktijk. Bijvoorbeeld bij onderhoud, ruimtebeheer of duurzaamheidsrapportages.
Dit atelier heeft mij laten zien dat informatiesystemen veel invloed hebben op hoe efficiënt en professioneel een facilitaire organisatie werkt. Wel is het belangrijk dat de systemen goed zijn ingericht en dat de data betrouwbaar, actueel en veilig is.
Algemene reflectie op Management Information Systems
Als ik terugkijk op het onderdeel Management Information Systems, heb ik vooral geleerd dat informatie een belangrijke basis is voor goede facilitaire keuzes. Zonder betrouwbare data is het lastig om te bepalen waar problemen zitten en welke maatregelen nodig zijn.
De ateliers hebben mij geholpen om de theorie beter te begrijpen. Door te werken met parkeerdata, sensoren, BIM en FMIS zag ik steeds beter hoe informatiesystemen in de praktijk gebruikt kunnen worden. Ik vond het onderdeel soms ingewikkeld, vooral door de technische kant, maar uiteindelijk heb ik er veel van geleerd.
Voor mijn ontwikkeling als toekomstig facility manager neem ik mee dat data en informatiesystemen steeds belangrijker worden. Een facility manager moet niet alleen praktisch kunnen handelen, maar ook informatie kunnen analyseren en gebruiken om gebouwen en processen te verbeteren.
Reflectie MFR – Finance
Inleiding Finance
Binnen het vak MFR heb ik mij ook beziggehouden met het onderdeel Finance. Bij dit onderdeel stond vooral centraal hoe je financiële keuzes binnen facility management kunt onderbouwen. Ik heb geleerd dat facilitaire beslissingen vaak grote financiële gevolgen hebben. Denk bijvoorbeeld aan investeren in zonnepanelen, kiezen tussen huren of nieuwbouw, het uitbreiden van een horecavoorziening of het beoordelen van financiële prestaties.
Tijdens Finance heb ik geleerd dat je niet alleen moet kijken naar wat een organisatie graag wil, maar ook naar wat financieel haalbaar en verantwoord is. Hierbij kwamen begrippen aan bod zoals businesscase, Total Cost of Ownership, levensduurkosten, investeringsbegroting, exploitatiebegroting, liquiditeitsbegroting en financiële ratio’s.
In het begin vond ik Finance best lastig, omdat er veel gerekend moest worden en de opdrachten soms veel gegevens bevatten. Toch werd het duidelijker toen we per atelier stap voor stap gingen kijken naar de financiële gevolgen van keuzes. Ik heb geleerd dat cijfers belangrijk zijn om een advies sterker te maken. Een goed advies is niet alleen gebaseerd op een idee, maar ook op een onderbouwing met kosten, opbrengsten, risico’s en financiële gevolgen.
Atelier 1 – Zonnepanelen
In het eerste atelier hebben wij gewerkt aan de opdracht over zonnepanelen. De Hanze wilde weten of het financieel aantrekkelijk was om zonnepanelen aan te schaffen voor de Joint Venture. Hierbij moesten wij berekenen hoeveel zonnepanelen nodig waren om in het jaarlijkse energieverbruik te voorzien.
Voor deze opdracht moesten wij rekening houden met verschillende gegevens, zoals het jaarlijkse energieverbruik, de opbrengst per zonnepaneel, rendementsverlies, investeringskosten, dakoppervlak, onderhoudskosten en de economische levensduur. Ook moesten wij kijken naar de opbrengst van de zonnepanelen per maand, omdat zonnepanelen in de zomer meer energie opwekken dan in de winter.
Ik heb bij dit atelier geleerd dat een duurzame investering niet automatisch financieel aantrekkelijk is. Je moet goed berekenen wat de investering kost, wat het oplevert en binnen welke periode de investering kan worden terugverdiend. Ook heb ik geleerd dat Total Cost of Ownership belangrijk is, omdat je niet alleen kijkt naar de aanschafkosten, maar naar alle kosten tijdens de hele levensduur.
Ik vond dit atelier leerzaam, omdat duurzaamheid en finance hier duidelijk samenkwamen. Zonnepanelen kunnen bijdragen aan lagere energiekosten en duurzaamheid, maar de financiële haalbaarheid moet wel goed worden doorgerekend.
Atelier 2 – Afweging nieuwbouw of huren
In het tweede atelier hebben wij gekeken naar de keuze tussen het blijven huren van een kantoorgebouw of het laten bouwen van een eigen kantoorgebouw. De huurovereenkomst van de Joint Venture liep bijna af, waardoor onderzocht moest worden welke optie financieel aantrekkelijker was.
Bij deze opdracht moesten wij kijken naar verschillende kosten en keuzes. Denk aan huurkosten, parkeerplaatsen, oppervlakte, bouwkosten, investeringen, exploitatiekosten en financiering. Ook moesten wij nadenken over wat een financieel plan inhoudt, zoals een investeringsbegroting, financieringsbegroting, exploitatiebegroting en liquiditeitsbegroting.
Ik heb geleerd dat huisvestingskeuzes veel verder gaan dan alleen de maandelijkse huur of de bouwkosten. Bij nieuwbouw heb je te maken met grote investeringen, maar mogelijk ook met meer eigendom, flexibiliteit en invloed op het gebouw. Bij huren zijn de investeringen vaak lager, maar blijf je afhankelijk van de verhuurder en de huurvoorwaarden.
Dit atelier vond ik ingewikkeld, omdat er veel gegevens en berekeningen bij kwamen kijken. Toch heeft het mij geholpen om beter te begrijpen hoe belangrijk het is om verschillende scenario’s financieel met elkaar te vergelijken. Als facility manager moet je kunnen uitleggen waarom een keuze financieel verstandig is.
Atelier 3 – Terrasuitbreiding horecavoorziening
In het derde atelier hebben wij onderzocht of het financieel aantrekkelijk was om een terras toe te voegen aan de horecavoorziening van de Joint Venture. Het doel was om te kijken of de extra inkomsten uit het terras voldoende zouden zijn om de kosten van het terras te dekken.
Voor deze opdracht moesten wij onder andere kijken naar de investeringskosten voor tafels, stoelen, windschermen, parasols en accessoires. Daarnaast moesten wij rekening houden met huurkosten voor de gemeentegrond, personeelskosten, omzet, brutomarge en de exploitatieperiode van het terras.
Ik heb geleerd dat een investering op papier interessant kan lijken, maar dat je alle kosten goed moet meenemen. Vooral personeelskosten en exploitatiekosten kunnen veel invloed hebben op het uiteindelijke resultaat. Ook heb ik geleerd om te kijken naar terugverdientijd en naar de vraag of een investering voldoende opbrengsten oplevert.
Dit atelier vond ik iets praktischer en daardoor beter te begrijpen. Het ging om een herkenbare situatie, namelijk een terras dat extra inkomsten kan opleveren. Hierdoor zag ik beter hoe financiële berekeningen gebruikt worden om te bepalen of een idee haalbaar is.
Atelier 4 – Financiële performance
In het vierde atelier hebben wij gekeken naar financiële performance. Hierbij ging het om het beoordelen van de financiële gevolgen van keuzes aan de hand van financiële overzichten en kengetallen. We hebben gekeken naar onderwerpen zoals de balans, winst- en verliesrekening, liquiditeitsbegroting, DuPont-analyse en ratioanalyse.
Ik heb geleerd dat huisvestingsbeslissingen invloed kunnen hebben op meerdere financiële overzichten. Een investering kan bijvoorbeeld effect hebben op de balans, omdat er activa bijkomen. Ook kan het invloed hebben op de winst- en verliesrekening door afschrijvingen, rente en exploitatiekosten. Daarnaast kan een investering gevolgen hebben voor de liquiditeit, omdat er geld nodig is om betalingen te kunnen doen.
Bij ratioanalyse heb ik geleerd dat kengetallen helpen om de financiële situatie van een organisatie te beoordelen. Denk hierbij aan rentabiliteit, solvabiliteit en liquiditeit. Deze kengetallen geven inzicht in hoe winstgevend, financieel gezond en betalingsbekwaam een organisatie is.
Ik vond dit atelier best theoretisch, maar wel belangrijk. Het liet mij zien dat financiële keuzes niet alleen gevolgen hebben voor één project, maar voor de hele financiële positie van een organisatie. Als facility manager is het daarom belangrijk om de financiële impact van keuzes te kunnen begrijpen en uitleggen.
Algemene reflectie op Finance
Als ik terugkijk op het onderdeel Finance, heb ik vooral geleerd dat financiële onderbouwing onmisbaar is binnen facility management. Een idee kan inhoudelijk goed zijn, maar moet ook financieel haalbaar zijn. Door de ateliers heb ik geleerd om beter te kijken naar kosten, opbrengsten, investeringen, exploitatie en financiële risico’s.
Ik vond Finance niet het makkelijkste onderdeel van MFR, omdat er veel gerekend moest worden en sommige opdrachten veel informatie bevatten. Toch heb ik gemerkt dat de berekeningen helpen om keuzes concreter te maken. Het geeft meer zekerheid en maakt een advies professioneler.
Voor mijn ontwikkeling als toekomstig facility manager neem ik mee dat ik financiële gevolgen altijd moet meenemen in mijn advies. Of het nu gaat om duurzaamheid, huisvesting, horeca of onderhoud: uiteindelijk moet duidelijk zijn wat een keuze kost, wat het oplevert en wat de gevolgen zijn voor de organisatie.
Reflectie MFR – Research
Inleiding Research
Binnen het vak MFR heb ik ook gewerkt aan het onderdeel Research. Bij dit onderdeel stond het doen van praktijkgericht onderzoek centraal. We moesten leren hoe je vanuit theorie en literatuur tot een goede onderzoeksvraag komt, hoe je begrippen duidelijk maakt en hoe je uiteindelijk data verzamelt en analyseert.
Bij Research ging het niet alleen om het bedenken van een onderzoeksvraag, maar vooral om het hele onderzoeksproces. We moesten stap voor stap werken: eerst het onderwerp afbakenen, daarna begrippen en theorieën kiezen, vervolgens variabelen opstellen, enquêtevragen maken en uiteindelijk de resultaten analyseren en evalueren.
Het onderzoek richtte zich op de leeromgeving van de Hanzehogeschool. Er werd gekeken naar hoe tevreden tweedejaars studenten zijn over de gebouwde omgeving. Daarbij konden onderwerpen gekozen worden zoals groepswerk, concentratiewerk, inspirerend zijn of interactie. Hierdoor sloot Research goed aan bij het thema Spaces, omdat het ging over hoe een fysieke leeromgeving studenten ondersteunt.
In het begin vond ik Research best lastig, omdat je heel precies moet formuleren. Een onderzoeksvraag moet duidelijk en onderzoekbaar zijn, en begrippen moeten goed worden afgebakend. Toch werd het overzichtelijker toen we per atelier steeds een onderdeel van het onderzoek uitwerkten. Hierdoor zag ik beter hoe je van een breed onderwerp naar concrete enquêtevragen en resultaten komt.
Atelier 1 – Onderzoeksvraag, begrippen en theorieën
In het eerste atelier zijn we begonnen met het kiezen van een onderwerp voor het onderzoek. We moesten een keuze maken uit onderwerpen zoals groepswerk, concentratiewerk, inspirerend zijn of interactie. Daarna moesten we een onderzoeksvraag formuleren die paste bij de leeromgeving van de Hanze.
Ook moesten we belangrijke begrippen beschrijven en definiëren. Dit vond ik belangrijk, omdat je anders niet precies weet wat je onderzoekt. Begrippen zoals leeromgeving, groepswerk of concentratiewerk kunnen op verschillende manieren worden uitgelegd. Door deze begrippen duidelijk te beschrijven, werd het onderzoek concreter.
Daarnaast moesten we theorieën en modellen kiezen die konden helpen om het onderwerp beter te begrijpen. Deze theorieën gebruikten we om te bepalen welke onderdelen van de leeromgeving belangrijk waren voor ons onderzoek.
Ik vond dit atelier in het begin best lastig, omdat het veel denkwerk was. Vooral het formuleren van een goede onderzoeksvraag kostte tijd. Wel heb ik geleerd dat een goed begin van het onderzoek heel belangrijk is. Als de onderzoeksvraag en begrippen niet duidelijk zijn, wordt de rest van het onderzoek ook onduidelijk.
Atelier 2 – Theorieën uitwerken naar variabelen
In het tweede atelier hebben we de gekozen theorieën en modellen verder uitgewerkt naar variabelen. Dit betekent dat we moesten bepalen welke aspecten van de leeromgeving we wilden meten.
We keken bijvoorbeeld naar onderdelen waarvan we wilden weten hoe tevreden studenten daarmee zijn. Denk aan aspecten zoals rust, comfort, inrichting, geluid, licht, samenwerking, bereikbaarheid van werkplekken of sfeer. Deze variabelen vormden de basis voor de enquêtevragen.
Ik heb geleerd dat variabelen helpen om een abstract onderwerp concreet te maken. Een begrip zoals concentratiewerk of groepswerk is op zichzelf vrij breed. Door dit op te delen in kleinere onderdelen, kun je beter meten waar studenten tevreden of minder tevreden over zijn.
Dit atelier vond ik nuttig, omdat ik hierdoor beter begreep hoe theorie wordt omgezet naar meetbare onderdelen. Het liet mij zien dat je niet zomaar enquêtevragen kunt bedenken, maar dat deze moeten voortkomen uit de theorie en de onderzoeksvraag.
Atelier 3 – Enquêtevragen en operationalisering
In het derde atelier hebben we de variabelen omgezet naar enquêtevragen. We moesten minimaal tien enquêtevragen maken, met maximaal één open vraag. Ook moesten we een inleiding en afsluiting voor de enquête schrijven.
Daarnaast moesten we per vraag uitleggen waarom we voor een bepaalde vraagvorm hadden gekozen. Bijvoorbeeld een gesloten vraag, schaalvraag of lijstvraag. Ook maakten we een operationaliseringstabel. In deze tabel lieten we zien hoe we van begrippen en variabelen naar concrete enquêtevragen kwamen.
Ik heb geleerd dat goede enquêtevragen duidelijk, meetbaar en niet sturend moeten zijn. Een vraag moet voor iedereen op dezelfde manier te begrijpen zijn. Ook heb ik geleerd dat een operationaliseringstabel handig is, omdat je daarmee laat zien dat je vragen logisch voortkomen uit je onderzoek.
Dit atelier vond ik praktisch en leerzaam. Het was soms lastig om vragen goed te formuleren, maar daardoor werd ik mij er bewuster van hoe belangrijk taal is in onderzoek. Een kleine onduidelijkheid in een vraag kan invloed hebben op de antwoorden.
Atelier 4 – Resultaten, conclusie en discussie
In het vierde atelier hebben we de resultaten van de enquête verwerkt. We moesten de uitkomsten weergeven in absolute en relatieve frequentietabellen. Ook moesten we berekeningen maken, zoals het gemiddelde, de mediaan, de modus en de spreiding.
Daarnaast moesten we grafieken maken om de belangrijkste resultaten duidelijk te visualiseren. Op basis van deze resultaten schreven we een conclusie en gaven we antwoord op de onderzoeksvraag. Ook moesten we een discussie schrijven over de kwaliteit van het onderzoek.
Bij de discussie keken we naar validiteit en betrouwbaarheid. Ik heb geleerd dat validiteit gaat over de vraag of je meet wat je wilt meten. Betrouwbaarheid gaat over de vraag of het onderzoek op een zorgvuldige en herhaalbare manier is uitgevoerd. Ook moesten we nadenken over de bruikbaarheid van de resultaten en hoe zeker we konden zijn van onze conclusies.
Ik vond dit atelier belangrijk, omdat hier zichtbaar werd wat het onderzoek had opgeleverd. Door de resultaten in tabellen en grafieken te zetten, werd de data overzichtelijker. Ook leerde ik dat je kritisch moet blijven op je eigen onderzoek. Niet elk resultaat betekent automatisch dat je harde conclusies kunt trekken.
Algemene reflectie op Research
Als ik terugkijk op het onderdeel Research, heb ik vooral geleerd hoe belangrijk structuur is binnen onderzoek. Je kunt niet zomaar beginnen met vragen stellen, maar moet eerst goed nadenken over je onderwerp, onderzoeksvraag, begrippen, theorieën en variabelen.
Ik vond Research soms lastig, vooral omdat alles logisch op elkaar moet aansluiten. De onderzoeksvraag moet passen bij de theorie, de variabelen moeten voortkomen uit de theorie en de enquêtevragen moeten weer aansluiten bij de variabelen. Toch heeft deze opbouw mij geholpen om beter te begrijpen hoe je onderzoek stap voor stap uitvoert.
Wat ik meeneem uit Research is dat onderzoek helpt om keuzes beter te onderbouwen. Als facility manager kun je op basis van onderzoek beter begrijpen wat gebruikers vinden, ervaren en nodig hebben. Zeker bij onderwerpen zoals leeromgeving, huisvesting en gebruikerservaring is het belangrijk om niet alleen vanuit aannames te werken, maar ook echt data te verzamelen.
Voor mijn ontwikkeling als toekomstig facility manager heeft Research mij geleerd om kritischer en gestructureerder te kijken naar informatie. Ik begrijp nu beter dat een goed advies sterker wordt wanneer het gebaseerd is op betrouwbare gegevens, duidelijke theorie en een zorgvuldig uitgevoerd onderzoek.
Reflectie CGI MFR
Terugblik op het CGI
Voor het vak MFR heb ik een CGI gehad over het eindrapport en de theorie van de onderdelen Management Information Systems, Finance en Research. Ik vond dit van tevoren best spannend, omdat er vragen gesteld konden worden over het hele verslag. MFR bestond uit meerdere onderdelen en daardoor moest ik eigenlijk over alles kunnen uitleggen wat we hadden gedaan.
Tijdens het project hadden wij het werk vooral verdeeld binnen de groep. Ik had mij voornamelijk gericht op het financiële gedeelte. Colin had vooral Management Information Systems opgepakt en Joyce had zich vooral beziggehouden met Research. Hierdoor wist ik zelf vooral veel over Finance, maar minder over de andere onderdelen. Tijdens het CGI merkte ik dat dit een nadeel was, omdat ik niet alles goed kon uitleggen.
Wat ik lastig vond
Ik vond vooral het financiële gedeelte tijdens MFR lastig, omdat ik nog nooit eerder echt met Excel had gewerkt. Binnen dit vak moest ik ineens veel berekeningen maken, gegevens verwerken en financiële keuzes onderbouwen. Dat vond ik in het begin moeilijk, omdat ik moest leren werken met formules, tabellen en financiële overzichten.
Tegelijkertijd was Finance wel het onderdeel waar ik uiteindelijk het meeste van wist, omdat ik daar zelf het meest aan had gewerkt. Ik kon daardoor vooral uitleggen wat we bij Finance hadden gedaan, zoals de opdrachten over zonnepanelen, nieuwbouw of huren en de terrasuitbreiding.
Wat ik achteraf minder goed heb gedaan, is dat ik mij te weinig heb verdiept in Management Information Systems en Research. Doordat Colin en Joyce deze onderdelen vooral hadden opgepakt, heb ik daar zelf minder actief aan gewerkt. Daardoor kon ik tijdens het CGI minder goed uitleggen wat daar precies was gedaan en waarom bepaalde keuzes waren gemaakt.
Hoe het uiteindelijk ging
Ondanks dat ik het spannend vond en niet alle onderdelen even goed kon uitleggen, heb ik het CGI uiteindelijk wel gehaald. Voor het CGI heb ik een 6 behaald en voor het verslag een 6,5. Daar ben ik blij mee, omdat ik weet dat MFR voor mij geen makkelijk vak was.
Het cijfer laat voor mij zien dat ik voldoende heb laten zien om het te halen, maar ook dat er nog veel ruimte is voor verbetering. Vooral bij een groepsopdracht is het belangrijk dat je niet alleen je eigen onderdeel kent, maar ook de onderdelen van je groepsgenoten begrijpt. Dat heb ik bij dit project te weinig gedaan.
Wat ik heb geleerd
Door dit CGI heb ik geleerd dat een werkverdeling handig kan zijn, maar dat je als groep uiteindelijk wel samen verantwoordelijk bent voor het hele verslag. Ook als iemand anders een onderdeel schrijft, moet je zelf nog steeds begrijpen wat erin staat. Tijdens een CGI wordt namelijk duidelijk of je het hele rapport voldoende beheerst.
Daarnaast heb ik geleerd dat ik bij een volgend project eerder moet controleren of ik alle onderdelen kan uitleggen. Ik had bijvoorbeeld vaker met Colin en Joyce kunnen bespreken wat zij precies hadden gedaan, zodat ik beter voorbereid was op vragen over MIS en Research.
Ook heb ik geleerd dat ik niet te snel moet denken dat iets “niet mijn onderdeel” is. Bij een eindrapport hoort alles bij het gezamenlijke eindproduct. Daarom moet ik bij een volgende groepsopdracht meer verantwoordelijkheid nemen voor het geheel.
Wat neem ik mee
Voor een volgende keer wil ik niet alleen mijn eigen onderdeel goed kennen, maar ook actief meekijken met de onderdelen van anderen. Ik wil eerder vragen stellen als ik iets niet begrijp en beter zorgen dat ik het hele verslag kan uitleggen.
Ook wil ik verder oefenen met Excel, omdat ik merkte dat dit binnen Finance belangrijk is. Hoewel ik het lastig vond, heb ik hier uiteindelijk wel veel van geleerd.
Al met al kijk ik met gemengde gevoelens terug op het CGI. Ik vond het spannend en ik merkte dat ik niet goed genoeg voorbereid was op alle onderdelen. Toch heb ik het uiteindelijk gehaald. Voor mij is de belangrijkste les dat ik bij een groepsopdracht niet alleen moet focussen op mijn eigen taak, maar ook moet zorgen dat ik het totale eindproduct begrijp.
Maak jouw eigen website met JouwWeb